Het Parool Interview

Oud of the Box

Tegenwoordig zijn er gespecialiseerde zorgcentra voor transsekualiteit, maar vijftig jaar geleden was dat een onbekend fenomeen. Drie oudere transgenders vertellen over hun coming-out en de strijd om zichzelf te kunnen zijn.

Fotografie: Marc Driessen

ATI FLOOR

Geboren: Lisse, 1944
Coming-out: 1975  

Als puber in de jaren vijftig had Ati Floor (72) nog nooit van transseksualiteit gehoord. ‘Ik kon mijn gevoelens niet plaatsen, omdat ik niet wist dat transseksualiteit bestond. Ik dacht dat ik een travestiet was of iets dergelijks. Soms fietste ik na schooltijd naar een bos. Dan deed ik mijn broek uit, trok een rok aan en verpoosde er een tijdje.’ Een keer las Ati in Panorama een artikel over een man die vrouw werd. ‘Ik dacht: verrek, het bestaat.’

Lange tijd speelden de problemen zich alleen in haar hoofd af. ‘Je draagt een geheim in je mee, waarvan je weet dat de maatschappij het niet kent, laat staan accepteert. Dat is een regelrechte ramp. Ik stopte mijn gevoelens weg.’ De confrontatie met de samenleving bleef uit. ‘Die ga je pas aan als je in vrouwenkleding de deur uitgaat.’

Begin jaren zeventig werd het voor Ati wel helder. ‘Ik wilde verder als Ati, maar wist niet hoe ik dat moest oplossen en kon er met niemand erover praten.’ Inmiddels was ze getrouwd. ‘Ik dacht op mijn eigen huwelijksfeest: ik heb iets helemaal verkeerd gedaan. Na drie jaar ben ik van mijn lieve echtgenote gescheiden.’

Op advies van haar ex-vrouw ging Ati naar de eerste zelfhulpgroepen voor transseksuelen, die de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming op de Blauwburgwal in Amsterdam organiseerde. ‘Voor het eerst ontmoette ik mensen waarin ik mezelf herkende. Dat voelde bevrijdend.’

In diezelfde tijd kreeg het VUmc de eerste transgenderkliniek ter wereld. Ati liet zich er hormoonkuren voorschrijven en kreeg een geslachtsaanpassende operatie. ‘Mijn familie, vrienden en omgeving hebben het uiteindelijk verrassend goed geaccepteerd.’

Haar grootste gevecht leverde ze bij Martinair, waar ze een topbaan had: secretaris van de vliegdienst. ‘Bij Martinair heerste een machocultuur. De vrouwen die er werkten, waren secretaresse of stewardess. Ze wilden me ontslaan.’ Ati meldde zich ziek. ‘Maandenlang leefde ik als vrouw thuis en dan komt er een dag dat je eindelijk als jezelf naar je werk gaat voor een gesprek met personeelszaken. Mijn collega's moeten me allemaal hebben gezien, maar ik kan me hun blikken niet meer herinneren.’ Na veel gesteggel belandde Ati uiteindelijk bij de partyservice van Martinair voor feesten en partijen. Daar werkte ze tot aan haar pensioen voor een bescheiden salaris. ‘Hard werken, dat heeft me gered. Alleen een nieuwe partner vinden is me niet gelukt.’

Met verschillende transvrouwen uit de eerste zelfhulpgroepen liep het anders. ‘Joke, met wie ik soms de stad in ging, is met haar auto achter het Centraal Station het IJ in gereden. Ik ken meerdere mensen die zelfmoord hebben gepleegd of nooit uit de kast zijn gekomen.’

Overwoog Ati ooit om er uit te stappen? ‘Als ik in mijn oude Volvo langs een dijk reed, werd mijn auto op een of andere gekke manier richting het water gestuurd. Dat is meerdere keren voorgekomen.’ Waarom stuurde ze richting het water? ‘Voor mijn gevoel deed ik niets, maar onbewust blijkbaar wel.’

En zo speelt zich meer af op een onbewust niveau. ‘Een groot deel van mijn leven heb ik mijn gevoelens systematisch en structureel weggestopt. Ik moet veel herinneringen hebben, maar bij de emotie en hoe ik me in die tijd precies voelde: daar wil ik niet naar terug. Die herinneringen zitten letterlijk op slot. Het is te pijnlijk.’

Na haar coming-out zag Ati de beeldvorming veranderen. ‘Het is zo langzamerhand standaard geworden. Dan zie je een knulletje op televisie die graag met een rokje naar school wil en die gaat dan ook met een rokje naar school.’ Ze vernam hoe het VUmc ook een kennis- en behandelcentrum voor transgenderkinderen werd. ‘Die ontwikkelingen zijn prima natuurlijk, maar het had er ook in mijn tijd moeten zijn. Ik ben jaloers op die kinderen.’

In 2013, rondom een uitzending van Andere tijden over de transgenderhistorie in het VUmc, beleefde ze een tweede coming-out. ‘Ik schrok toen ik voor dat programma werd benaderd. Ik was tien jaar daarvoor naar Almere verhuisd en had niemand iets over mijn achtergrond verteld.’ Voor de uitzending lichtte ze haar omgeving in. ‘Mijn vriendinnen, mensen bij de tennis- en zeilvereniging: iedereen reageerde positief. Dat was in de jaren zeventig wel anders geweest.’

Waarom had ze niet eerder wat verteld? ‘Omdat het niet aan de orde kwam. Ik ben helemaal geen transseksueel. Dat ligt ver achter me. Ik was en ben een vrouw.’

JOSÉ VAN TILBORG

Geboren: Eindhoven, 1938
Coming-out: Rond 1953

In het streng katholieke, Brabantse milieu van de jaren vijftig waarin José van Tilborg (78) opgroeide, werd uit de band springen niet gewaardeerd. ‘Dus toen mijn vader me betrapte in kleding van mijn zusje, was het huis te klein. Mijn ouders verklaarden me voor gek en stuurden me naar een internaat voor probleemjongeren.’ José liep weg en vluchtte naar Amsterdam. Als jongensprostitué werkte ze op het Rembrandtplein. ‘Ik vond mezelf vies, maar ik moest toch iets?’

Op haar vijftiende belde José haar ouders, of ze met hen kon praten. ‘Thuis wachtten mijn vader en moeder me op. Mijn vader riep: ‘Je moeder heeft je als een jongen gebaard en dat blijf je!’ Met een ijzeren staaf stond hij achter me, klaar om uit te halen.’ José sprong door het raam van de eerste verdieping naar buiten. ‘Bloedend rende ik weg, terug naar Amsterdam.’

Over transgenders was nauwelijks iets bekend. ‘Maar mijn gevoelens waren zo sterk en duidelijk, ik kon niet anders dan uitbreken.’ Als José de straat op ging, trok ze vrouwenkleding aan. ‘Ik droeg een pruik, vulde mijn bh met wc-papier en trok mijn penis met een touwtje strak naar achter.’ Elke dag was voor haar een confrontatie met de maatschappij. ‘Je gaat de deur uit en denkt: wat maak ik vandaag weer mee? Altijd die blikken. Je ziet mensen kijken: wat is dat voor gek in vrouwenkleding? Ik dacht: jullie mogen lachen, maar later lach ik.’

Tot eind jaren zeventig kwam José regelmatig in aanraking met de politie. ‘Een keer werd ik op het bureau gedwongen me voor acht aspirant-agenten uit te kleden. Ik moest zogenaamd aantonen dat ik een man was. Die agentjes lachten me uit. Ik was hypernerveus, in shock. Pas nadat er mannenkleding naar het bureau was gebracht en ik die had aangetrokken, mocht ik vertrekken.’

Na tussenkomst van het VUmc, waar José inmiddels onder behandeling was, stopten de problemen met de politie. In 1978 kreeg ze een geslachtsoperatie. ‘De chirurg hield een spiegeltje tussen mijn benen en ik zag dat mijn penis weg was. Ik huilde van geluk. Mijn doel was bereikt; ik was een meisje.’

José was twintig jaar getrouwd. ‘Maar ik ben gescheiden omdat mijn man vreemdging.’ Haar familie zag ze pas terug op de begrafenis van haar vader. ‘Ik gooide een steen op zijn graf en werd van het kerkhof verwijderd.’

José woont in een aanleunwoning in Almere. Lachend: ‘Ik ben een oud wijf aan het worden. Ik kan maar twintig procent zien, heb reumatische handen, longemfyseem in een vergevorderd stadium, twee lekkende hartkleppen en een evenwichtsstoornis. Maar waarom zou ik klagen? De longarts, cardioloog, internist, iedereen zegt: ‘U bent een topvrouw. Waren alle patiënten maar zoals u.’ Ik ben onverwoestbaar.’

José gaat er voortdurend op uit. Zwemmen, klaverjassen, een pannenkoekmiddag van De Zonnebloem. Rotopmerkingen hoort ze vrijwel nooit meer. ‘Toevallig was er twee weken geleden een probleem. Bewoners in mijn wooncomplex hadden gezegd dat ik een travestiet ben, had ik via via gehoord.’ José ging er meteen op af. ‘Ik heb kort en krachtig verteld wie ik ben en dat ik het allemaal zelf voor elkaar heb gekregen. Ik zei: ‘Praten doe je in mijn gezicht, niet achter mijn rug.’ Nu zijn ze hartstikke aardig tegen me.’

José weet dat er meer openheid en acceptatie zijn. ‘Dat is wat ik vooral op televisie zie. Hoe het precies zit, weet ik niet, omdat ik geen contact met transseksuelen heb. Ik kom niet op speciale avonden, bij het COC, of waar dan ook. Daar komen te veel mensen met problemen. En ik wil geen problemen. Ik wil genieten van de laatste jaren van mijn leven.’

Begrijp haar niet verkeerd. ‘Die openheid vind ik fijn voor anderen, maar op mijn leven heeft het geen invloed. Mijn strijd is al lang gestreden. Ik ben tevreden en gelukkig. Als ik nu op mijn scootmobiel door Almere rijd, zeggen mensen: ‘Kijk, daar heb je mevrouw Van Tilborg’.’

IVO VAN DRIEST

Geboren: Rotterdam, 1950
Coming-out: 1984

Als tiener had Ivo van Driest (66) in de jaren zestig geen enkel voorbeeld of referentiekader. ‘Maar ik wist het gewoon. Ik was een knul. Borsten krijgen, ongesteld worden: verschrikkelijk.’ Thuis zijn hart luchten kwam niet in hem op. ‘Mijn moeder had me dan bij een psychiater afgeleverd. Ik was bang dat mijn familie en de buitenwereld me voor gek zouden verklaren. Dat zou toen ook gebeurd zijn.’

Wat was de sfeer in die tijd? ‘Ik ging naar de huishoudschool, de televisie was zwart-wit en mijn moeder keek naar programma's van Mies Bouwman. Veel verder kom ik niet. Er was voor mij helemaal geen sfeer. Ik leefde, maar ook weer niet.’ Muziek uit de jaren zestig kan hij zich amper herinneren. ‘Ik hoor nu wel eens een nummer van The Beatles en dan zegt iemand: ‘Hé, dat is uit jouw tijd.’ Ik denk dan: het zal wel. Ik moet zo'n nummer vroeger ongetwijfeld gehoord hebben, maar het is niet blijven hangen. Mijn hoofd zat vol.’

Op straat viel Ivo nooit op. ‘Ik droeg gewoon neutrale kleding: spijkerbroeken, T-shirts, truien. Transvrouwen hebben in hun leven meer kans op problemen. Vooral na hun transitie vallen ze meer op.’

Pas in 1984 praatte hij voor het eerst met een maatschappelijk werker over zijn gevoelens. ‘Die mevrouw zei: ‘Wat u vertelt, heet transseksualiteit. Wees niet bang, u bent niet de enige.’ Dat was zo'n ongelofelijke opluchting. Ik was niet gek! Er bestond zelfs een woord voor.’ Ivo werd doorverwezen naar het VU-ziekenhuis en kwam in een traject van hormonen en operaties. Borsten, baarmoeder en eierstokken werden verwijderd. Een stuk huid uit zijn onderarm werd gebruikt bij het construeren van een penis.

Met het traject in het ziekenhuis volgde ook zijn publieke coming-out. ‘Mijn moeder zei: ‘Wat zullen de buren wel niet denken?’ Pas toen mijn moeder ging dementeren, vertelde ze dat ze het altijd al wist. Had ze er maar eerder met me over gepraat, dat zou zo goed voor me zijn geweest.’ Zijn vader en een broer reageerden positief. ‘Mijn andere broer ziet mij nog steeds als zus, maar dan met een kale kop en baard.’

Op zijn werk, de huishoudelijke dienst van een Nederlands hervormd verzorgingstehuis, wilde hij het graag zelf aan zijn collega's vertellen. Maar de directeur was hem voor. ‘Daarna negeerden mijn collega's me volledig. Een vrouw met wie ik jarenlang tussen de middag een broodje in de linnenkamer at, wilde niet meer met me lunchen. Bij Gods gratie mocht ik na drie maanden eindelijk in een setje mannenkleding werken.’ Twee jaar later nam hij ontslag en belandde in de WAO.

Vanaf begin jaren negentig vertelde Ivo in televisieprogramma's over zijn transitie en ging hij als gast mee naar lezingen van het VUmc. Daarmee was hij een van de eerste transmannen van zijn generatie die naar buiten durfde te treden. ‘Het taboe moest doorbroken worden.’ Als Ivo tegenwoordig de media volgt, kan hij niet anders concluderen dan dat zijn missie geslaagd is. ‘Ik ben daar alleen maar blij om.’

Waarom ging hij er niet aan onderdoor? ‘Ik was als een rups in een cocon en ontpopte me door mijn coming-out tot een vlinder.’ Hij fladdert? ‘Tussen mijn oren wel. Maar mijn lichaam: nee.’ Ivo heeft gewrichtspijnen, astma en diabetes. Zijn ex-vriendin, met wie hij acht jaar een relatie had, is tegenwoordig mantelzorger. Door zijn zwakke gestel kwam Ivo nooit meer uit de WAO.

In 2008 verhuisde hij naar een aangepaste woning. ‘Dat had met mijn gezondheid te maken, maar ook omdat ik me in mijn oude buurt niet meer prettig voelde. Er werd over me geroddeld. Ik hoorde dat niet letterlijk, maar zag het en voelde het. Of je zag mensen kijken: o jee, daar heb je hem.’ Is er dan niets veranderd? ‘Zeker wel. Wat er in mijn vorige buurt gebeurde, zie ik als pure pech.’

Ivo blijft open over de weg die hij moest afleggen. Zoals laatst in het ziekenhuis, waar hij voor zijn diabetes bloed moest prikken. ‘Een verpleegkundige keek naar het litteken op mijn arm en vroeg: ‘Hoe komt dat?’ Ik zei: ‘Daar is bij mij het geslachtsorgaan van gemaakt.’ Ze reageerde: ‘Goh, wat interessant.’ Zo'n gesprek, dat was vroeger ondenkbaar.’

Behandelingen

Hoeveel transgenders er in Nederland zijn, is niet precies bekend en hangt ook af van de definitie die gehanteerd wordt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau komt in een rapport uit 2013 tot een schatting van 48.000 mensen van 15 tot 70 jaar. Het gaat daarbij om mensen die niet tevreden zijn met hun eigen lichaam en een wens hebben om het geslacht aan te passen via hormonen of operaties. Voor behandeling zijn drie centra in Nederland: Amsterdam, Groningen en Leiden. Het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie van het VUmc, in 1975 opgericht, is het grootste ter wereld. In Nederland werden tot nu toe ongeveer 4000 transgenders behandeld. Naar schatting zijn enkele honderden ouder dan 65 jaar.

Met dank aan Alex Bakker